Opleiden in deemoed: een gesprek met Cecile Exterkate

Cecile Exterkate is bestuurder van Pro Persona en lid van het bestuur van de SPON, verantwoordelijk voor de BIG-opleidingen die binnen het RadboudCSW georganiseerd worden. RadboudCSW huisfilosoof Jan Bransen spreekt haar over de toekomst van de geestelijke gezondheidzorg en de rol die daarin door de post-academische opleiding gespeeld kan worden. 

Door: JAN BRANSEN
Beeld: DUNCAN DE FEY

Er is één woord dat er voor mij uitspringt als ik Cecile Exterkate spreek over de eigenschappen die psychologen zouden moeten ontwikkelen: deemoedigheid. “We kunnen in dit leven niet alles. Betere zorg betekent wellicht dat de zorg reëler moet worden, accepterender, en, ja, deemoediger. De focus ligt zo enorm op genezen.”

Cecile ExterkateCecile Exterkate is bestuurder van Pro Persona en lid van het bestuur van de SPON, verantwoordelijk voor de BIG-opleidingen die binnen het RadboudCSW georganiseerd worden. Ik spreek haar over de toekomst van de geestelijke gezondheidzorg en de rol die daarin door de post-academische opleiding gespeeld kan worden, omdat ik dit jaar als huisfilosoof nadenk over de nieuwe toekomstvisie van het RadboudCSW. Dat kan ik natuurlijk niet alleen, en zeker niet als ik mij niet goed informeer. Vandaar dat ik dit jaar voor de nieuwsbrief een viertal interviews heb gepland en mensen uit verschillende lagen van de organisatie en het werkveld wil spreken. 

Dit is het eerste interview – en ik ben blij dat Cecile Exterkate mijn eerste gesprekspartner is. Ze spreekt rustig, helder en bedachtzaam. Ze heeft een weloverwogen visie op wat goede zorg is en redeneert van daaruit met een open blik terug naar wat er in de opleiding geleerd zou moeten worden om die goede zorg te kunnen bieden.

Meester-gezel verhouding

Ze was zelf “piepjong” toen ze van de universiteit kwam en als psycholoog in het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem ging werken. “Ja, nu is dat normaal, maar ik zat in de omslag naar de tweefasenstructuur. De studie ging van zes, naar vijf, naar vier jaar terug. Maar de hele praktijk was ingesteld op mensen die er zes jaar of langer over deden. Zeven, acht jaar was heel normaal. Dus er zat een enorm gat tussen mij en mijn voorgangers.”

Ze begon direct aan de opleiding tot klinisch psycholoog en had het geluk dat ze toen, zoals ze zelf zegt, “een tijdje vastgekleefd zat, als het ware, aan mijn opleider, in een meester-gezel relatie. Je leert heel veel in dit vak door naar iemand te kijken die daar goed in is. Het is vergelijkbaar met hoe kleine kinderen leren, die leren het grootste stuk door te kijken naar hun verzorgers. Ik liep met hem mee, zag hoe hij het deed. En soms zat hij er bij mij bij, om te kijken ‘hoe doet ze dat nou?’, ‘hoe kan ik haar helpen?’”

Leren door ervaren en doen

Die mogelijkheid om mee te kijken met een senior is volgens Exterkate cruciaal voor een goede opleiding, en niet alleen voor de post-academische opleiding, begrijp ik als ik doorvraag. “Ik denk dat zo’n meester-gezel verhouding nou net heel mooi in de eerste vier jaar zou kunnen. Meelopen, meekijken. Dat heeft natuurlijk met de betaalbaarheid te maken, maar ik vind ook echt dat psychologiestudenten al vanaf jaar 1 met patiënten moeten werken.” (Het valt mij op dat ze het woord ‘patiënten’ gebruikt. “Ach ja, het mag alletwee. Sommige patiënten willen graag ‘patiënten’ genoemd worden en andere willen persé ‘cliënt’ genoemd worden.”)

Patiënten, dus. Die zien studenten in hun basisopleiding veel te weinig. Dat is echter niet de enige beperking die Exterkate ziet in wat zij, als ik het zo hoor, een behoorlijk smalle opleiding vindt. “Ik vind dat we hier in Nederland wel heel erg cognitief gericht zijn op leren. Het is alsof je drie jaar over zwemmen praat, hoe je dat moet doen, en vervolgens in het vierde jaar ga je het water in. En dan zit je heel erg te dénken. O, ja, hoe moet ik zwemmen? Maar juist psychologen moeten heel veel leren door te ervaren, en te voelen, en gewoon te doen. Want je hebt niet meer dan jezelf, hè, je bent je eigen gereedschap.”

"Doordeseming"

Een goede psycholoog heeft daarom ook een “doordeseming” nodig, zoals Exterkate het noemt, het door elkaar heen gevlochten zijn van enerzijds expertise en anderzijds het vermogen te zien wat de ander nodig heeft. Goede zorg kunnen verlenen is veel meer dan alleen een cognitieve vaardigheid. “De universiteit wil dan wel graag de 8-plus studenten laten doorstromen naar de opleiding tot klinisch psycholoog, maar het gaat ook om sociaal leervermogen, om sociaal gedrag, om empathisch vermogen, om het vermogen om in complexe situaties de juiste keuze te maken. Want stel je dat maar voor, dan word jij er samen met de hulpdiensten bij geroepen als er een mevrouw op een flatgebouw van vijftien verdiepingen hoog staat, en die wil springen. Wat is dan het beste wat jij kunt doen? Dan zijn er allemaal mensen die willen interveniëren, maar dan moet jij daarin het voortouw nemen om de beste keuze te maken, met behoud van het leven van die persoon. Dat zal de één beter kunnen dan de ander. Daar heb je een zekere gevoeligheid voor nodig, en het hoeft helemaal niet zo te zijn dat mensen die hele hoge punten halen, die gevoeligheid hebben.”

Het is op dit punt in het gesprek dat Exterkate de deemoedigheid benadrukt die ze zo belangrijk voor psychologen vindt. “Het is heel belangrijk dat je oog hebt voor wat de ander nodig heeft. Het gaat juist niet alleen om wat jij allemaal kunt. Het gaat ook om dienend kunnen zijn. Dat is de uitdaging in dit opleidingstraject, om die vloeiendheid er in te krijgen, om als mens in een situatie te kunnen zijn, getraind en geschoold als professional, met alles wat je wel weet en niet weet, kunt en nog niet kunt, en om dan goed te kunnen omgaan met alle druk die op je afkomt, daar dan niet mechanisch in worden. Het is ook heel veel accepteren, verlies accepteren in je leven. En minder kunnen dan je zou willen. Het is ook als psycholoog weerstand kunnen bieden aan iemand die bij je aanklopt en zegt ‘ik wil van alles af en hélp me’. Om dan helder te kunnen zijn over hoe je omgaat met acceptatie en met positieve gezondheid.”

Koerswijziging

Cecile Exterkate ten midden van het SPON-bestuur‘Positieve gezondheid’ is het concept dat Machteld Huber in 2012 introduceerde om in ons denken over gezondheid ruimte te maken voor de omgang met de soms reële aanwezigheid van een chronisch ziektebeeld. Positieve gezondheid is het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven om te gaan en om zoveel mogelijk de regie over het dagelijkse functioneren te kunnen blijven voeren. Positieve gezondheid drukt zorgprofessionals in een bescheidener rol: gezondheid is niet langer meer alleen hun verantwoordelijkheid, en gezondheidszorg is niet langer meer principieel gericht op genezing. Voor Exterkate is dit een belangrijke koerswijziging. “We gaan soms veel te lang door met behandelen, ook vanuit een soort reddersgevoel. Daar is veel onderzoek naar gedaan. Hulpverleners kijken vaak met een roze bril naar hun eigen mogelijkheden. Die hebben ze ook nodig, die roze bril, om tegen alle moeilijkheden te kunnen die ze vaak aantreffen. Dat begrijp ik wel. Zeker als je net van de opleiding komt. Het is waarschijnlijk ook inherent aan als je jong bent, dat je het dan zo graag goed wilt doen. De handen uit de mouwen… De inzet waarmee je begint is natuurlijk dat je hulp kunt bieden, dat je een belangrijke bijdrage kunt leveren, dat je kunt bekijken hoe het anders kan, zodat mensen hun problemen te boven komen. Vandaar dat een rolmodel in de opleiding ook zo belangrijk is, dat je als student met iemand meeloopt, die voor nuance zorgt, die ervaring heeft en die weet hoe belangrijk acceptatie is. Want het is zo belangrijk om te leren kijken naar wat de ander nodig heeft, hoe jij waarde kan toevoegen aan het leven van die ander. En waarde toevoegen is niet alleen maar beter maken, maar is ook analyseren, leren kijken naar dingen die goed gaan, focussen op de leefgebieden waar je tevreden mee kunt zijn. Het vak leren betekent ook dat je afstand leert nemen van wat jij als hulpverlener wilt, dat je leert kijken naar wat nu echt die ander helpt die tegenover jou zit.”

Minder hippe vakgebieden

In dit verband constateert Exterkate dat sommige gebieden van het vak niet zo hip zijn in de opleiding. Dat zou ze graag anders zien, omdat dat zou kunnen helpen om al vroeg in de opleiding te merken hoe belangrijk deemoedigheid voor een hulpverlener is. Voor sommige populaties is onder studenten weinig aandacht. Ze noemt de mensen met een verstandelijke beperking en de mensen die langdurige en ernstige psychische klachten hebben, mensen met autisme en bijkomende psychoses die ontregelend gedrag hebben door bijvoorbeeld met hun hoofd tegen de muur bonken, kortom mensen met hevige multiproblematiek. “Deze patiënten vragen ook echt iets anders van je, die hebben heel veel begeleiding en bescherming nodig. Dat hebben studenten vaak niet meteen voor ogen als ze met de opleiding beginnen, dan overheerst nog het mensen beter willen maken. Het is ook gewoon heel moeilijk werk om dat goed te doen. Je bent vooral bezig met het begeleidings/behandelteam, dat moet je scherp houden. Zijn we methodisch nog goed bezig? Blijft onze blik fris? De rol van regiebehandelaar is dan echt een andere dan die studenten op de opleiding leren kennen. Maar deze populatie komt in de studie dan ook bijna niet aan bod. Het is heel bijzonder dat voor het werken met deze populaties bijna geen psycholoog te vinden is.”

In het licht van de vele honderden psychologiestudenten die ik op de campus zie lopen, vind ik dit een verrassende, haast ongeloofwaardige opmerking. Maar Cecile Exterkate meent het serieus. En als bestuurder van Pro Persona weet ze waar ze het over heeft.  

HBO versus WO

Ondanks haar nadruk op meer patiënten in de opleiding, vanaf jaar 1 meelopen met een rolmodel, minder focus op het cognitieve, meer aandacht voor een dienende houding en voor een meer deemoedige praktijk, maakt Exterkate zich helemaal niet druk om het vervagen van het onderscheid tussen HBO en WO. “Nee, ik ben het niet eens met mensen die zeggen dat je maar naar het HBO moet gaan als je meer praktijk wil.”

Het onderscheid tussen HBO en WO is wat Exterkate betreft gradueel. De link met onderzoek vindt ze geen fundamentele demarcatie. “Nee, want op de HBO wordt ook onderzoek gedaan. We hebben een hele goede lector op de HAN, verpleegwetenschappen, en die doet verschrikkelijk mooi en goed onderzoek.” Er zijn verschillen in niveau van werken en complexiteit van taken die de verschillen tussen de twee opleidingsniveaus onderscheidt.

Als we het hebben over het zuivere wetenschappelijke onderzoek dat aan de universiteit wordt verricht en waarover psychologiestudenten in de eerste vier jaar van hun opleiding veel te horen krijgen, komt Exterkate met een bekentenis: “Tja, ik zou mijn hart niet aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek kunnen verpanden, zeg maar. Ik wil er binnen Pro Persona ook gewoon wat mee kunnen doen zoals dat kan met toegepast wetenschappelijk onderzoek. Ik zie een heleboel onderzoek – ook als ik dat in mijn eigen vakgebied eetstoornissen bekijk – waaraan we op dit moment in de toepassing nog weinig hebben. Maar misschien gaat het er ooit wel toe leiden dat er betere interventies komen of dat we beter gaan begrijpen hoe incidentie en prevalentie op een bepaalde manier voorkomt.” Ze bedoelt daarmee niet te zeggen dat dit type onderzoek niet nodig is. “Nee, dat moet zeker doorgaan. Maar zulk soort onderzoek heeft een heel eigen termijn. Natuurlijk maak je daarover als universiteit intrinsieke afwegingen, binnen de beperkingen van het budget. Maar binnen de zorginstellingen zoals Pro Persona zorgen we zelf wel voor een heldere afbakening. Onze bijzondere hoogleraren aan de universiteit hebben de opdracht heel toegepast wetenschappelijk onderzoek te doen.”

Deemoedigheid

Cecile Exterkate is duidelijk stevig geworteld in de hulpverleningspraktijk. Als psycholoog én als opleider. Ze heeft me iets belangrijks geleerd: dat je op verschillende manieren kunt kijken naar de hulp die je als psycholoog moet leren verlenen. Je kunt kijken naar wat jij kunt dóen, naar de hulp die jij kunt verlenen. Maar je kunt ook naar de hulp kijken die nodig is. Dat doe je nog steeds vanuit jouw perspectief als hulpverlener, maar wel ín het contact met iemand die iets van jou vraagt. En dan is deemoedigheid op haar plaats. Want de vraag is vaak groot, het lijden kan immens zijn, en de toegevoegde waarde die jij als psycholoog te bieden hebt maar klein. Om dan accepterender te kunnen zijn, is veelgevraagd. Maar vaak wel de enige weg. En nu ik dit zo schrijf, trek ik er ineens een conclusie uit voor de toekomst van de academische en post-academische opleidingen waarover ik dit jaar nadenk. Zouden opleiders niet ook deemoediger moeten leren zijn? Zij kijken immers doorgaans ook naar de opleiding die zij verzorgen als een opleiding die zij verstrekken, waarbij zij als opleider in the lead zijn. Maar als zij nu eens naar die opleiding zouden leren kijken vanuit de praktijk, naar wat er nódig is – zouden zij zich dan niet ook moeten realiseren dat hun toegevoegde waarde maar klein is? Omdat wij er op deze manier niet zo over gesproken hebben, leg ik dit Cecile Exterkate voor als ik haar de voorlopige versie van dit interview laat lezen. In haar reactie benadrukt zij het patiëntenperspectief. Vanuit dat perspectief bezien is de toegevoegde waarde van de opleiders niet klein maar juist heel wezenlijk en groot. Zij vindt het belangrijk voor “dit prachtige opleidingstraject” om de grote waarde te onderkennen van wat vanuit patiëntenperspectief nodig is, en om dat optimaal in de opleiding te integreren.

Dit had ik mij op deze manier niet gerealiseerd. Ik dacht met mijn vergelijking in eerste instantie namelijk niet aan het perspectief van de patiënten, maar aan het perspectief van de studenten. Zouden opleiders een beetje deemoediger moeten zijn over hun mogelijkheden als opleider, zo stelde ik mij voor, als zij inzicht zouden hebben in wat de studenten nodig hebben om goede hulpverleners te worden? Want studenten hebben vooral ervaring nodig, zo redeneerde ik, en de toegevoegde waarde van een opleider in het bieden van die ervaring is maar klein. Maar misschien vergis ik me, omdat ik een té academische voorstelling van opleiders heb. Want in de meer praktisch georganiseerde opleiding die Cecile Exterkate voor ogen staat, is die opleider een meester waaraan een student een tijdje vastgekleefd zit. En zo’n meester werkt, als het tenminste een goede is, vanuit het patiëntenperspectief, en draagt zo bij aan wat dan inderdaad een prachtig opleidingstraject is.

Gratis lezing Jan Bransen

Jan BransenSpeciaal voor onze alumni houdt Jan Bransen, huisfilosoof van het RadboudCSW, op 1 februari 2018 van 16.00-17.30u een lezing over Gezond Verstand in onderwijs en zorg naar aanleiding van zijn boek 'Laat je niets wijsmaken'. Wil je hier graag bij zijn? Schrijf je dan hier in. 

 

Reacties

Door Yvonne, I.M.M. ... (niet gecontroleerd) op

Jan Bransen was de opvolger van de Hoogleraar van de vakgroep waarbij ik ben afgestudeerd: opvoedingsfilosofie: Jan Bransen heeft , denk ik, in zijn lectoraat meer de gedragsfiosofische invalshoek geimplementeerd (in de studie): Ik kan me hierin vergissen, maar ben benieuwd naar zijn lezing, omdat het inderdaad om het gezonde verstand draait en zuiver denken: ook in zorg en onderwijs, en de relatie hierin.