Radboud Centrum Sociale Wetenschappen

Opleiders in Mens en Maatschappij

Het spel om de macht leren spelen - Een interview met politica Lisa Westerveld

Filosoof, vakbondsbestuurder en politica Lisa Westerveld (1981) heeft leren en werken altijd gecombineerd, waarbij ze op een vanzelfsprekende manier steeds zelf de eigenaar van haar vorming is geweest en gebleven. Dat merkt RadboudCSW-huisfilosoof als hij met haar spreekt over haar werk in de Tweede Kamer. Namens GroenLinks is zij niet alleen woordvoerder onderwijs, maar ook woordvoerder jeugdzorg, kinderopvang, media en sport.

​​Door: JAN BRANSEN


Beeld: Duncan de Fey
 

Leren en werken combineren deed Lisa Westerveld (Aalten, 1981) ook al tijdens haar studie in Nijmegen. “Ik kom uit de Achterhoek en was de eerste van mijn familie die ging studeren. Culturele antropologie, omdat ik nieuwsgierig was naar andere culturen en andere manieren van denken. De universiteit was zelf al een kennismaking met een heel andere cultuur. Ik kende daar helemaal geen verhalen over en verbaasde mij over hoe alles ging. Bij toeval kwam ik in contact met AKKU, de studentenvakbond, en dat werk, om zo invloed uit te kunnen oefenen op de randvoorwaarden van je studie, sprak me enorm aan. Ik zat al snel in het bestuur van AKKU, bezocht allerlei opleidingen, sprak met veel studenten, kreeg twijfels over mijn eigen studie en zo ben ik bij filosofie terecht gekomen. Dat beviel enorm, dat je vraagstukken vaak op een heel andere manier leert bekijken, en gaat beseffen dat er niet persé één waarheid is. Ik heb geleerd dat mijn achtergrond, mijn opvoeding, niet persé de juiste is, dat er nog heel veel andere manieren zijn om naar de wereld te kijken.”
 
Westerveld zit inmiddels ruim een jaar in de kamer, gekozen op voorkeurstemmen (“Dat was wel spannend, toen de precieze uitslag nog bekend moest worden.”). Ze werkt hard, is veel in debatten aanwezig, dient moties in, zit in diverse kamercommissies, overlegt voortdurend met haar fractiegenoten, maar belt en mailt ook veel met kamerleden van de andere partijen. Ze leert vooral ook dag na dag beter hoe je dat nu doet, als politica functioneren in het spel om de macht. Het komt telkens weer terug tijdens ons gesprek: reflecties op hoe dat werkt, hoe je dat kunt leren, hoe je daarin leert manoeuvreren. Ze legt het me geduldig uit, ook als het onbegrijpelijk is, als het nauwelijks transparant te maken is. “Want je zou toch denken dat financiële argumenten transparant kunnen zijn. Maar we hadden laatst zo’n raar debat. Over een belangrijk onderwerp, het recht op vier dagdelen voorschoolse opvang voor alle jonge kinderen. Alle betrokken organisaties – PO-raad, VNG, de grote kinderopvangorganisaties, ouderorganisaties – allemaal zeggen ze: Dat kan, dat is betaalbaar. Je moet dan wel het toeslagenmodel aanpassen, maar er hoeft geen geld bij. Dat is altijd een belangrijk argument tegenover de regeringspartijen, want die houden zich aan het regeerakkoord. Maar in dit geval hadden we last van de VVD-staatssecretaris. Die wil het niet. Die zegt dat het onbetaalbaar is. Dat kan ze niet laten zien, maar ze zegt het. En vanwege die onwil worden onze voorstellen dan afgeschoten. Toen hebben wij in een volgend debat aangedrongen op een goed onafhankelijk onderzoek naar die betaalbaarheid. Maar dat wil ze ook niet. Onbegrijpelijk.” Ik merk op dat het mij als matchfixing in de oren klinkt. Westerveld neemt dat woord niet over, maar verzucht wel “Ja, zulke debatten kunnen heel frustrerend zijn.”

Kansengelijkheid

We hebben het over de beperkte ruimte die je als oppositiepartij hebt, omdat je niets te zeggen hebt over de begroting, waardoor ieder voorstel dat geld kost geen schijn van kans maakt. Dan moet je slim zijn, zegt Westerveld, en blijven proberen aandacht te vragen voor belangrijke kwesties. “Kijk, als je college geeft, heb je heel veel tijd om een argument op te bouwen, maar tijdens een debat krijg je meestal maar vier minuten spreektijd. Vier. Dat is heel, heel weinig. Dus je moet goed nadenken over wat in die vier minuten jouw belangrijkste bijdrage moet zijn. Wij bekijken dan steeds hoe we die groep die het wat moeilijker heeft weer kunnen benoemen.”

Het is een speerpunt in Westersvelds woordvoerderschap: kansengelijkheid. “Ik ben natuurlijk de politiek in gegaan omdat ik dingen wil bereiken. Maar juist daarom kijk ik ook echt naar de korte termijn. Het kan namelijk ook zomaar ineens afgelopen zijn, en dan wil je toch iets gedaan hebben. Dus het gaat ook om steeds, in ieder debat, te benoemen wat je belangrijk vind, zodat met kleine stapjes, maar soms ook met concrete voorstellen, langzaam in het onderwijsbeleid terecht kan komen dat het niet uit hoort te maken wie je ouders zijn of waar je vandaan komt. Dat iedereen dezelfde kansen heeft.”

“Als filosoof zou je wel langer willen nadenken over wat we nu precies zouden moeten verstaan onder kansengelijkheid, maar in de politiek moet je dat vooral snel kunnen vertalen naar een veel pragmatischer niveau. Denk aan de druk die ouders op de basisschool zetten om een zo hoog mogelijk advies voor hun kind. Dat kunnen ouders vaak beter die wat mondiger zijn, die zelf gestudeerd hebben, die wat meer geld hebben. Hoe kun je daar met beleid iets aan doen? Denk aan de rol die commerciële bijscholing speelt. Denk aan het vroeg keuze moeten maken, wat ook voor veel kansenongelijkheid zorgt. Vanuit GroenLinks zeggen we dan dat je daarvoor toe zou moeten naar veel bredere brugklassen, zodat leerlingen veel langer bij elkaar zitten. Denk aan de vrijwillige bijdrage die scholen vragen. Die is weliswaar vrijwillig, maar als die hoog is, zorgt dat toch voor ongelijkheid. Als jij een bijstandsmoeder bent met vijf kinderen, dan stuur je je kinderen niet naar een school met een hoge vrijwillige bijdrage.”

Verschillende perspectieven

Haar opleiding als filosoof is voor haar werk als politica van belang, hoewel ze ook merkt dat heel andere factoren een onvermoede rol spelen. “De gunfactor speelt bijvoorbeeld een hele grote rol. Dat had ik niet zo beseft. En de beeldvorming, hoe er naar jou gekeken wordt. Je moet de feitjes op orde hebben, betrouwbaar zijn, goed voorbereid. Het is ook niet alleen maar belangrijk om de juiste dingen in een debat te zeggen. Je belt woordvoerders van andere partijen op, om ze uit te leggen waarom je een bepaald standpunt zo zult formuleren. Er gebeurt heel veel op de achtergrond. Je ziet voortdurend mensen met elkaar overleggen. Het is belangrijk om ideeën te hebben waar een kamermeerderheid voor zou kunnen zijn. Anders word je ongeloofwaardig. Dan heb ik veel aan mijn vermogen vraagstukken vanuit heel verschillende perspectieven te kunnen bekijken. Dan helpt het als ik snap wat er in het hoofd omgaat van iemand die aan het andere eind van het politieke spectrum staat.”

Ook op een ander punt merk ik dat Westerveld filosoof is, als zij het heeft over haar inspanningen iets te doen aan de vanzelfsprekendheid van terminologie die helemaal niet neutraal is. “Het is evident dat ‘homo’ niet gebruikt moet worden als scheldwoord. Maar in diezelfde hoek zit ons gebruik van de woorden ‘hoger’ en ‘lager’ onderwijs. Ik heb de minister gevraagd of we niet in de wet, in regelgeving, in kamerbrieven zoveel mogelijk andere woorden kunnen bedenken. Natuurlijk gaat dat niet om het verbieden van bepaalde woorden. Maar je kunt al zoveel doen aan de beeldvorming door te zorgen dat andere woorden ingang vinden.”

Verbeter het MBO

We raken hier een belangrijk thema, Westervelds waardering voor het MBO. “De enorme groei van het aantal studenten aan universiteiten is niet persé een teken van meer kansengelijkheid. Die groei moet je ook niet proberen te remmen met financiële ingrepen. Daar zou je veel beter iets aan kunnen doen door het MBO te verbeteren. Dat je daar betere leraren voor de klas krijgt. We hebben wat dat betreft ook last van de internationale afspraak dat 40% van de bevolking hoger opgeleid moet zijn. Maar kom op zeg, als iemand beter thuis is op een beroepsopleiding laat mensen dan alsjeblieft naar een beroepsopleiding gaan. Die opwaartse druk om toch maar vooral naar de universiteit te gaan… Het is zó fout dat de terminologie onderwaardering voor de beroepsopleidingen aanwakkert.”

Het combineren van werken en leren is niet alleen een vanzelfsprekend gegeven in Westervelds eigen loopbaan, maar is ook één van de aspecten die haar aanspreken in het beroepsonderwijs. Ik herken diezelfde aandacht voor het op elkaar betrekken van leren en leven in haar visie op de peuter- en kleutertijd. De context waarin kinderen opgroeien heeft een belangrijke vormende invloed en die context kan kinderen onverdiend op achterstand zetten. Het gaat Westerveld niet zo zeer om voorschoolse educatie, niet om het zo vroeg mogelijk stimuleren van de cognitieve ontwikkeling van kinderen. “Maar wat ik heel raar vind is dat je kinderen op zo’n jonge leeftijd eigenlijk overlaat aan commerciële partijen. Terwijl we steeds beter weten dat die eerste jaren cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het kind laten we die ontwikkeling, totdat een kind naar de basisschool gaat, over aan partijen die ook gewoon bezig zijn met winst maken. Daarom hebben we dat voorstel gedaan om alle kinderen het recht te geven op vier dagdelen voorschoolse opvang. En daarom waren we ook blij dat alle betrokken organisaties dit vinden, zelfs de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, wat veelzeggend is, omdat het ontzettend moeilijk is om al die gemeenten op één lijn te krijgen. En dan wordt zo’n voorstel afgeschoten omdat de staatssecretaris het niet wil. Onbegrijpelijk.”

"Motie Westerveld" 

In dit geval ging het om een voorstel waar brede steun voor is, vandaar dat de uitkomst zo frustrerend is. Maar soms moet je als politica ook met een motie durven komen waarvan je van te voren al weet dat daar vooral kritiek op zal komen. Dan kun je de last voelen van een sterk gepolariseerd domein, maar dan moet je toch moed op kunnen brengen. “Van die polarisatie hebben we het meest gemerkt in de discussie over de curriculumvernieuwing. We kregen ontzettend veel reacties uit het veld. De vakvereniging van geschiedenis vindt dat geschiedenis beslist een kernvak moet blijven, de vakvereniging aardrijkskunde wijst op aardrijkskunde, dan heb je nog de mensen van Nederlands die zeggen “Nederlands”, dan heb je mensen die zelf bezig zijn met muziek die komen vertellen dat muziek een veel centraler thema in het onderwijs zou moeten zijn. Bij zo’n discussie weet je al dat er alleen maar kritiek uit komt, maar dan is het toch de taak van een politicus om alles af te wegen en een knoop te durven doorhakken.”

Zo’n stellingname kan belangrijk zijn in het licht van je politieke idealen, maar in je afweging wordt ook altijd een rol gespeeld door het belang van je eigen loopbaan. Westerveld is daar realistisch genoeg over. Het is een onmiskenbaar aspect van het leven als politica. “Je moet aandacht besteden aan je eigen zichtbaarheid. Als ik me een volgende keer nogmaals verkiesbaar zou willen stellen, wordt er natuurlijk ook wel gekeken naar wat ik de afgelopen tijd gedaan heb. Daar kun je niet omheen. Er is wat dat betreft een grappig mechanisme waarover ik met mezelf afgesproken heb dat ik me daar niet te veel mee ga bezighouden. Kijk, als ik een motie indien dan is dat de “motie Westerveld”. Als ik het bijvoorbeeld samen doe met mijn collega van de SP dan wordt het de “motie Westerveld/Kwint”, maar als ik het met twee of meer andere partijen doe dan wordt het de “motie Westerveld c.s.”. Je hebt dus best wel wat kamerleden die liever een motie indienen met meer partijen, want dan is alleen hun eigen naam zichtbaar.”

De macht van media

Ik waardeer het dat Lisa Westerveld deze altijd aanwezige dreiging van het door elkaar lopen van persoonlijke en maatschappelijke belangen openlijk benoemt. Het siert haar ook als woordvoerder op het terrein van de media. Onderwijs en media hebben binnen een democratie een belangrijke taak gemeen. Beide helpen ze een open samenleving voor mondige burgers te creëren. Daarvoor is een zo kritisch mogelijke opstelling tegenover de macht nodig. De media dragen daar aan bij. Zij kunnen de maximale transparantie van besluitvormingsprocessen bevorderen, zodat de macht zo goed als mogelijk getransformeerd kan worden tot gezag, tot een maatschappelijke kracht die niet op willekeur maar op het beste argument gebaseerd is. Dat politici op hun beurt de media kritisch volgen, hoort daarbij. Ook de media behoren immers geen macht na te streven, maar gezag te verwerven. Dat betekent voor journalisten, net als voor politici, dat ze open zijn over die permanente dreiging van door elkaar lopende persoonlijke en maatschappelijke belangen. Het is een thema van deze tijd. De War on politics is ook een War on media en die loopt in Amerika hoog op.

Als ik het hier met Westerveld over heb, komt ze met een fraai, ontluisterend voorbeeld. Weer is het een VVD-staatsscretaris die de schuldige lijkt te zijn. Wat dat betreft verloochent Westerveld haar eigen politieke partijdigheid niet. “Gisteren hadden wij een debat over media. Een belangrijke kwestie is dat de sterinkomsten dalen. Daardoor heeft de NPO zestig miljoen minder inkomsten. Arie Slob wist hier niet van toen hij minister werd. Daar kwam hij pas een week later achter. Er was weliswaar al een rapport waarin dit stond, maar dat heeft zijn voorganger, Sander Dekker, voor hem verborgen gehouden. Dus Arie Slob wordt minister, hij denkt dat hij met een mooie sluitende mediabegroting aan het werk kan, maar dan duikt er een week na zijn aanstelling een rapport op waaruit blijkt dat de sterinkomsten dalen en dat hij met een gat van zestig miljoen in zijn begroting zit. Slob was hier niet blij mee, maar hij heeft overigens niets negatiefs gezegd over zijn voorganger. Hij heeft dat heel keurig gedaan. Maar binnen de VVD moeten ze dit geweten hebben. Het levert wel een probleem op, waarover we dus in debat gingen. Want waar haal je zestig miljoen vandaan? Niemand wil dat bij onderwijs weghalen, ook Slob niet. Het wordt echter nog gekker. Wat gebeurde is echt een goed voorbeeld van verborgen macht. Want gisterochtend, een paar uur voor dat debat, stond er in De Telegraaf, en de NOS meldde het ook, dat de coalitie ergens veertig miljoen vandaan had gehaald. Wat klopt hiervan, vroeg ik. Maar de minister zegt dan dat hij niet kan reageren op wat er in de media wordt gezegd. Het is immers gewoon afgesproken dat er niets gezegd wordt over de Prinsjesdagstukken. Dan vraag je het aan de woordvoerders van de coalitiepartijen, maar die zeggen allemaal dat ze daar natuurlijk niets over kunnen loslaten. Dan zit je dus met een hele rare situatie. Iemand heeft gelekt naar de media, met als gevolg dat eigenlijk niemand weet waar we nog over kunnen praten, want met welke bedragen moeten we rekening houden? Moeten we vervelende keuzes maken om zestig miljoen te kunnen besparen, of niet? Op zo’n moment wordt het onmogelijk voor de Tweede Kamer om een debat te voeren met de minister, want niemand weet wat de relevante informatie is. En niemand weet wie meer of minder weet. Zo worden de media een politieke factor van belang, maar juist niet door de transparantie te bevorderen. “

Informatiebubbel

De media maken het de politiek ook op een andere manier soms heel moeilijk. Dramatisch nieuws kan voor een schrikreactie zorgen dat een enorm effect op het beleid heeft, zelfs op de lange termijn, terwijl als je rekening had kunnen houden met die lange termijn er iets heel anders had moeten gebeuren. Westerveld geeft een voorbeeld waaruit haar vermogen blijkt om vraagstukken ook in een breder kader te plaatsen, met oog voor het grotere geheel. “Een paar jaar geleden hebben twee tieners zelfmoord gepleegd naar aanleiding van pesten. Daar was natuurlijk enorm veel aandacht voor in de media. Toen heeft het hele beleid aangaande sociale veiligheid op school zich verengt tot het tegengaan van pesten. Dat is echt zo’n voorbeeld van dat er iets verschrikkelijks gebeurt waarna we het roer helemaal omgooien en een wet gaan maken die pesten tegengaat. Het is goed, hoor, dat er aandacht voor pesten komt, en het aantal leerlingen dat zegt gepest te worden is echt flink gedaald, maar of daarmee de hele sociale veiligheid op scholen verbeterd is..? Ik heb in dat debat gezegd dat sociale veiligheid ook is dat een leraar zich veilig voelt in de klas om moeilijke onderwerpen te bespreken. Daar zijn eigenlijk heel andere maatregelen voor nodig, bijvoorbeeld kleinere klassen, waarin leerlingen zich veilig voelen. Dat zou zelfs ook het pestgedrag kunnen verminderen. Het is niet altijd verstandig om te focussen op afgebakende problemen. Maar het blijft een puzzel. Op problemen zoals pesten kun je een programma zetten, dat voor dat probleem effectief kan zijn. Maar als je het probleem in een breder kader zet en benadrukt dat het om sociale veiligheid in het algemeen gaat, dan heb je een veel complexere oplossing nodig.”

Dat we meestal behoefte hebben aan complexe oplossingen, die maar moeilijk bereikbaar zullen zijn, is een besef dat de realistische filosoof Westerveld de ambitieuze politica Westerveld voorhoudt. “Als ik op Facebook kijk dan is 90% van de mensen het altijd met mij eens. Maar ik moet wel beseffen dat dit mijn Facebook-pagina is, dat ik in een informatiebubbel zit. Dit laat vooral het belang zien van mensen leren dat je in een bubbel zit en mensen leren altijd te kijken wat de bron is. Daar moeten ze de juiste consequenties uit leren trekken. Dat is mediawijsheid, een cruciale intellectuele deugd. Mediawijsheid zal steeds belangrijker worden. Daar moet in het onderwijs veel aandacht aan besteed worden. Daar kan iedereen nog zoveel over leren. Zeker ook in de politiek.”